De laatste tijd lijkt mijn Facebook-tijdlijn een soort digitale rouwkamer te zijn geworden. Niet omdat mijn vriendenkring ineens massaal richting de hemelpoort wandelt, maar omdat ik — onschuldig en uit nieuwsgierigheid — één berichtje aanklikte van een fotograaf die een gezin vastlegde in de laatste levensfase. En toen gebeurde het onvermijdelijke: Facebook dacht dat ik daar meer van wilde zien.
Sindsdien word ik overspoeld. Foto’s van gezinnen die hun laatste momenten koesteren. Wensambulances die iemand nog één keer naar zee brengen. Koppels die elkaar vasthouden omdat het zo ongeveer de laatste keer is dat het nog kan. Zonen die afscheid nemen van hun moeder in de hospice… Begrijp me niet verkeerd: ik vind het prachtig dat dit bestaat. Ik vind het mooi dat mensen in die laatste fase nog iets waardevols krijgen. Maar… wil ik wel meegenomen worden in al die rauwe, intieme, verdrietige verhalen van volslagen onbekenden?
Het maakt iets los. Iets wat ik anders diep wegstop achter werk, boodschappenlijstjes en wat-eten-we-vanavond dillema’s. Want ineens, zonder dat ik erom vroeg, word ik keihard geconfronteerd met mijn eigen sterfelijkheid. Met dat zachte tik… tik… tik van het klokje dat altijd doorgaat, of we nu op de bank zitten of druk aan het werk zijn.
En dan gebeurt er iets als het overlijden van René Karst. 59 jaar, zomaar ineens weg. Een leeftijd waarvan je als kind dacht dat het stokoud was, maar die nu gevaarlijk dichtbij komt. Nog vijf jaar, en ik ben het zelf! Nog vier jaar en mijn man. De gedachte dat ik hem kwijt zou kunnen raken — of hij mij — maakt me soms zo intens verdrietig dat ik er liever helemaal niet aan denk. Maar daar is dat algoritme weer, dat vrolijk zegt: “Hé, ik heb nóg meer confronterende content voor je!”
En dan zijn er altijd mensen die zeggen: je moet in het nú leven. Geniet van elke dag, wees dankbaar, laat los, adem in, adem uit, zen en amen. En natuurlijk probeer ik dat. Ik probeer bewust te leven. Op te letten. Mijn thee écht te proeven en ervan te genieten. Mijn camera te pakken als de zon net door de bomen valt of als er een bijzonder vogeltje het vogelhuisje in vliegt. Mijn man te knuffelen als hij voorbij loopt, gewoon omdat het kan.
Maar toch… soms doet het besef dat alles eindig is meer pijn dan goed.
En toch — ja, ik gebruik expres nog een toch — schuilt er in al die confronterende berichten ook een soort les die ik niet wil missen. Want midden in al die verdrietige laatste fotosessies zie ik ook iets anders: liefde. Grote, rauwe, eerlijke liefde. Mensen die alles even laten vallen om bij elkaar te zijn. Mensen die hun tijd niet verspillen aan ruis, maar aan wat er echt toe doet.
Misschien is dat wel de enige troost die ik kan vinden in al die digitale sterfelijkheidsbombardementen: dat het me eraan herinnert dat het leven niet draait om die eeuwige takenlijst, dat werk, maar om de mensen en momenten die we soms voor vanzelfsprekend houden.
En ach… als Facebook dan toch zo graag wil dat ik bewuster in het leven sta, dan mag het algoritme wat mij betreft óók best eens een keertje wat anders doen. Bijvoorbeeld een tijdlijn vol mooie bloemen, ijsvogeltjes en hele blije labradors. Gewoon, voor de balans.
Want eerlijk? Ik ben nog lang niet van plan om te gaan. Maar dat algoritme mag van mij wél alvast beginnen met tips voor mijn 100ste verjaardag. Dat lijkt me een mooi streven.

